AVV: de democratische vakbond

Het polderkartel: meer dan 200 pagina’s bewijs voor de noodzaak van AVV

Een vakbond die een alternatief biedt voor de traditionele polder – waar is dat voor nodig? Na het lezen van Martin Pikaarts nieuwe boek Het polderkartel zal het antwoord duidelijk zijn. Instituties die stammen uit vervlogen tijden, zijn toe aan grootschalig onderhoud. De oude hoofdrolspelers blijken niet de aangewezen partijen om hierin een leidende rol te nemen. AVV doet dit wel. Martins boek laat zien waarom het hoog tijd is, en vormt hierbij bovendien een krachtig middel.

Het polderkartel doorloopt vier stappen. Eerst verschaft het inzicht in hoe de polder van vandaag de dag tot stand is gekomen. Daarna gaat het in op drie thema’s: de methode waarmee vakbonden tot cao’s komen; de kloof tussen vast en flex; en pensioenen. Op alle drie deze thema’s laat Martin zien dat er schadelijke prikkels en gewoontes bestaan in de polder. Die leiden ertoe dat het belang van werkenden het risico loopt het onderspit te delven, of dat zelfs structureel doet.

Geschiedenis van de polder

De huidige polder wortelt in de samenleving van een eeuw en langer geleden. Het was een samenleving van kostwinners en huisvrouwen. Die kostwinners hadden amper werknemersrechten. Zoals Martin het beschrijft: “Je mocht blij zijn als je werk had, je werkte tot je erbij neerviel. Veel arbeiders stonden ’s ochtends vroeg in groten getale te wachten of ze die dag uitgekozen zouden worden voor werk” (p. 18). Vakbonden streden voor rechten voor werknemers, en sloten collectieve arbeidsovereenkomsten met werkgevers af voor hun leden. Lid worden was dus in het directe belang van de werknemer: zonder lidmaatschap geen cao, en zonder cao restte tekenen bij het kruisje, of werkloosheid.

De samenleving veranderde: werknemersrechten kwamen, mede door de strijd van de vakbonden en de politieke partijen waarmee zij geassocieerd waren, hoger op de politieke agenda te staan. In 1927 regelde Nederland in de Wet op de cao “dat werkgevers die reeds gebonden zijn door de cao, deze niet slechts toepassen op vakbondsleden, maar op al hun werknemers” (p. 19). Dit betekende een verstevigde positie voor werknemers. Tegelijkertijd werden goede arbeidsvoorwaarden hierdoor minder afhankelijk van vakbondslidmaatschap; je had sowieso recht op de cao als jouw werkgever cao-partij was. Dit effect werd versterkt met de Wet avv, die regelt dat cao’s algemeen verbindend verklaard kunnen worden. Om concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkomen, konden cao’s nu ook verplicht worden verklaard voor werkgevers die geen partij waren bij een cao.

In die tijd bestond er nog een norm onder arbeiders om vakbondslid te worden; wie geen lid werd, was niet solidair, en maakte zich schuldig aan ‘klaplooperij’ (p. 21). Deze norm is inmiddels vervaagd; verenigingslidmaatschap is tegenwoordig een stuk minder vanzelfsprekend en wijdverbreid dan destijds. Al decennia daalt het aantal mensen dat lid is van een vakbond. Gegeven hoe de instituties zijn opgezet – werknemers profiteren van cao’s ongeacht lidmaatschap – is dit misschien niet verwonderlijk. Daar komt bij dat de algehele welvaart, inclusief werknemersrechten en sociaal vangnet, tegenwoordig een stuk hoger is dan destijds. Het is niet onwaarschijnlijk dat veel mensen hun sociale positie als een overheidstaak zijn gaan zien, en niet als iets dat je kan beïnvloeden met vakbondslidmaatschap.

Cao’s afsluiten

Gegeven deze maatschappelijke context is de vraag hoe de waarde van je organiseren desondanks goed tot zijn recht kan komen. Het ledenmodel – wie lid is, bepaalt – blijft een krachtig idee. Als er een hoge organisatiegraad is in termen van lidmaatschap, bestaat er een duidelijke formele structuur die werknemers in staat stelt samen tot één opvatting te komen en een vuist te maken. De voorbeelden uit Martins boek laten hier echter ook de keerzijde van zien. Gegeven de lage organisatiegraden blijken ‘samen één opvatting’ en ‘een vuist maken’ tot resultaten te leiden die soms dwars tegen de belangen van ongeorganiseerde werknemers in gaan. In sommige gevallen lijkt dit zelfs met opzet gedaan te worden, om ongeorganiseerden te ‘straffen’ voor hun afzijdigheid, zoals in de onderhandelingen bij de cao waterbedrijven. Hier werd een extra loonbod van werkgevers voor werknemers met lagere lonen – vaak ongeorganiseerden – geweigerd door de bonden (p. 100). Bij de cao technische groothandel leidde ‘samen een vuist maken’ zelfs tot een volledige onbereidheid van de FNV om überhaupt over arbeidsvoorwaarden te onderhandelen (p. 232-233).

Het draagvlakmodel – wie belanghebbende is, bepaalt – begint vanuit een andere premisse. Niet de zoektocht naar één gezamenlijke agenda, of het strijden tegen de werkgever is leidend. Het startpunt is dat gezocht wordt naar een cao die ieders belangen zo goed mogelijk dient. De belangen van werknemers worden open geïnventariseerd. De drempel om mee te doen is laag: lidmaatschap is niet nodig, en meepraten kan op meerdere manieren. AVV gebruikt dit model niet omdat we niet geloven in lidmaatschap, maar omdat we belang hechten aan goede arbeidsvoorwaarden voor alle groepen. De realiteit van de afgelopen decennia wijst uit dat het ledenmodel daarvoor niet meer toereikend is.

De kloof tussen vast en flex

De hoofdstukken over vast en flex zijn misschien wel de meest opzienbarende hoofdstukken uit het boek. Vandaag de dag wordt door alle vakbonden schande gesproken van de grote kloof tussen vast en flex, en dan met name van de precaire positie die veel flexwerkers op de arbeidsmarkt hebben. Dat deze situatie volstrekt te voorzien was, en zelfs expres gecreëerd blijkt te zijn, kan met recht schokkend genoemd worden. Je zou geneigd kunnen zijn om te denken dat dit niet waar kan zijn, maar de bronnen die Martin aandraagt zijn niet de minste. Zo citeert hij (p. 112) uit het Flexakkoord van 1996 dat het de bedoeling was om een ‘palet aan arbeidscontractsvormen’ te creëren, terwijl de toenmalige minister juist voorstelde om van het vaste contract de norm te maken, en daarnaast een tweede optie van het tijdelijke contract te maken.

Het doel van het Flexakkoord, zo valt in verschillende bronnen te lezen, was om de arbeidsmarkt flexibeler te maken en tegelijkertijd de kloof tussen vast en flex te verkleinen.[1] Als we nu naar de arbeidsmarkt kijken, kunnen we wel stellen dat dat mislukt is. Dat zien inmiddels ook de opstellers van het Flexakkoord wel in.[2] Dat door dit palet juist allerlei schimmige arbeidsrelaties konden ontstaan, zag men niet aankomen.

It takes two to tango. Of soms zelfs drie. Het is tijd om de situatie op de arbeidsmarkt nu grondig aan te pakken en op te ruimen. AVV doet hiervoor, samen met werkgeversorganisatie ONL en zzp-organisatie VZN, aanbevelingen in ons sociaal akkoord 2021.

Pensioenen

Het derde thema is pensioenen – een thema dat Martin ook altijd al na aan het hart ligt. Hij heeft hier veel over geschreven, in dit boek en in zijn vorige boeken. Wat duidelijk wordt is dat de pensioenproblematiek van de afgelopen decennia wordt gekenmerkt door boekhoudtrucs om niet te hoeven korten op pensioenen. Dat iemand hiervan de rekening zal moeten betalen – namelijk de jongere werkenden van nu – mag duidelijk zijn. Gelukkig sluit dit hoofdstuk af met een hoopvolle noot: “Met deze hervorming [uit het pensioenakkoord van 2019] – althans de persoonlijke potjes – van het pensioenstelsel wordt realiteit waar AVV reeds sinds 2005 voor pleit: een eerlijker en transparanter stelsel zonder subsidies van jong naar oud” (p. 185).

Tot slot

AVV is blij en trots met een voorzitter met zo veel toewijding en hart voor de zaak. Al ruim 15 jaar strijdt hij voor vernieuwing in de polder, en de successen van AVV worden hoe langer, hoe talrijker. Martins boek – dat hij in zijn vrije tijd en op persoonlijke titel schreef – is in feite meer dan 200 pagina’s bewijs voor de noodzaak van AVV. AVV omarmt deze bijdrage aan onze missie dan ook van harte.

Het bestuur van AVV

 

[1] “In het Flexakkoord maakten de sociale partners afspraken over een uitruil waarbij zittend personeel te maken kreeg met meer flexibiliteit en minder zekerheid, en flexibel personeel te maken kreeg met minder flexibiliteit en meer zekerheid” https://www.parlement.com/id/vh8lnhrqszxz/het_flexakkoord_van_1996. “Flexibiliteit en zekerheid […], ook wel het flexakkoord genoemd, legde de basis voor de in 1999 in werking getreden Wet flexibiliteit en zekerheid. Hierdoor kreeg zittend personeel wat minder zekerheid en flexibel personeel juist wat meer zekerheid” https://www.awvn.nl/app/uploads/2019/11/GEHEUGEN-VAN-DE-POLDER-HOOFDSTUK-40-FLEXAKKOORD-VLUCHT-NAAR-VOREN.pdf.

© 2017 AVV - PrivacyDisclaimer

Verenigingenweb
Cancel